Ton Kalle sculptures in stone


Interview with Al Jazeera - photo © Sherif Abel Badie

IN A GRANITE EMBRACE
BY ANTONIE DEN RIDDER

It is far more difficult to write about an artist who seeks clarity than about one who seeks his subject in the complexities of the world, and life. To touch the image, the language must be just as transparent as the visual reality to which it refers. When an artist speaks of multiple layers, inner conflict or, better yet, about the language itself, then the flow of words from the art observer is unstoppable. But speak of simplicity, tranquility and silence, as Ton Kalle does, then the flood of language stumbles. The silence then becomes deafening when Kalle reveals that 'the language of granite' is his preferred form of expression. The sculptor now lets only the space speak to us, with a muffled ring with which an ill-fated stroke from a lump hammer announces an ominous vein, a weak spot in the stone - writing rhythmically between the furrows from the chisel. The artist's choice of 'words' can only be interpreted as an attempt to keep language at bay, in order to create the opportunity to focus on a different arsenal of possibilities for communication between people. Here, he refers to an armory of phenomena to which meanings are bound, and which he sees as a totality. In contrast to the language in which we speak and think, in the language of granite, meaning cannot simply be coupled to form. It is at least as complex as other languages and comprises a veritable Kama Sutra of endearments. The 1001 distinctive forms to please the eye, and in a multiplicity thereof, the numbers of variations familiar to the tender play of light and shadow. Not to speak of the infinite ways that the sculpture offers itself to the whims of the elements. But equally, it comprises the characteristic handwriting of the chisel and the brute force with which the stone succumbs to its lines of fracture. For Ton Kalle, the language of this stone falls over human reality like a template, a map where the scars form the hieroglyphs, where history delineates the tale of human existence, in which clouds and trees are reflected in the polished planes of stone. If there is a single characteristic that unites all of Ton Kalle's sculptures into a single body of work, it has to be the quiet self-assurance with which they claim their place in the landscape. Here, the sculpture is no stranger in the order of things, and the work of the sculptor need not seek out the sterile security of the white walls of a museum. These sculptures are an open gesture of invitation to their surrounding reality. They possess this quality exclusively because their maker has not focused just on the image itself, but like a generous host, he invites the environment to take part in the game. In the same way that Ton Kalle selects his stones on the basis of their visual potential, already lying there, enclosed in their rough form, he also looks at landscape. In the dent in a boulder, he has already seen the possibilities of the play of light and shadow, long before the sun has shone on it. This vision into the future provides him with the kind of determination and conviction of purpose that we recognize as 'simplicity'. As such, the lines of sight in Park ter Beuken, in Flanders, are a determining element in the final arrangement, with sunlight, rain, the bleached light of the moon, all greeted as welcome guests. In their capacity as participants, they become part of the sculpture, providing it its most enviable, salutary legitimacy. You do not ask a Ton Kalle sculpture if it is all right for it to be there in the park. It simply stands there, five tons of granite, immovable, indomitable. The sun approves. The wind and the stars agree, so who would complain? It is a truly enviable position, one that Ton Kalle achieves because he takes all the countless natural idiosyncrasies into account. It begins because he strives, from the first moment when it is all just a pile of rocks, to see it as a whole. He also says that he could stop anywhere along the working process without that cowardly sense of a sculpture that is not finished. As a whole, a single thing, the sculpture-to-be steams forward until the moment when the sculptor interferes, paradoxically enough, by doing nothing more. In Ton Kalle's case, this is not the moment when every corner or angle is tensely, fretfully drawn to a precise razor edge, but the moment the form is clear, when every further show of virtuosity threatens to become just a distracting manoeuvre. You must have mastery of the craft to make the desired sculpture possible, he says, but it must not get in your way. He lets his great stones lean against one another, stacks them into towers, hangs rock shapes in trees, like moons, lets them dance in Egyptian deserts like fata morganas. In KOREAN SUNRISE, the sun lies like a stone on the horizon, a horizon of which Kalle inquires in his robust, upturned sculpture, WHERE IS THE HORIZON?. In GUARDIAN ANGEL, whose title is thanks to the cosy embrace of a rough star shape made of three large boulders, the starlight sees itself mirrored in the star formed by the water on the polished surface. Simplicity itself cannot escape ambiguity, multiplicity of meanings. Let the restfulness of the sculpture become ours, until we become so still in our simplicity that we too become granite. This is what Ton Kalle intends. Reality is, of course, stubborn and wilful. We remain flesh and blood. The ambivalence of our existence yanks us back again and again, out of the granite embrace. But after an encounter with the sculptures of Ton Kalle, it is with a certain sense of regret.


TRANSLATED FROM DUTCH : MARI SHIELDS



IN EEN GRANIETEN OMHELZING
DOOR ANTONIE DEN RIDDER

Het is zoveel moeilijker te schrijven over een kunstenaar, die helderheid najaagt, dan over één, die zijn onderwerp zoekt in de complexiteit van wereld en leven. Want om het beeld te raken zal de taal minstens even transparant moeten zijn als de visuele werkelijkheid, waarnaar zij verwijst. Spreek als kunstenaar over gelaagdheden, innerlijke tegenstrijdigheid of beter nog, spreek over de taal zelf en de woordenstroom van de kunstbeschouwer is niet te stuiten. Maar spreek als Ton Kalle over eenvoud, rust en stilte en de taalvloed stokt. En de stilte wordt oorverdovend, wanneer Kalle zijn voorkeur uitspreekt voor "de taal van graniet" als uitingsvorm. De beeldhouwer laat ons nu slechts de ruimte te spreken met de doffe klank, waarmee een foute slag van de moker de noodlottige breuk op een zwak punt van de steen aankondigt. En ritmisch te schrijven tussen de voren van het puntijzer. De woordkeus van de kunstenaar is dan ook enkel te interpreteren als een poging de taal op afstand te houden om zodoende in de gelegenheid te zijn de aandacht te vestigen op een ander arsenaal aan mogelijkheden om tot communicatie tussen mensen te komen. Daarbij verwijst hij naar een arsenaal van verschijnselen, waaraan betekenissen verbonden kunnen worden en die hij opvat als een totaliteit. Maar anders dan in de taal, waarin we spreken en denken, is binnen de granieten taal betekenis niet éénduidig gekoppeld aan de vorm. Zij is evenwel minstens even complex als andere talen en omvat een ware Kama Sutra aan liefkozingen. De 1001 onderscheiden vormen van oogstreling, en in veelvoud daarvan het aantal varianten, dat het tedere spel van licht en schaduw kent. Om nog maar niet te spreken van de niet te tellen manieren, waarop het beeld zich over kan geven aan de grillen van de elementen. Maar eveneens omvat zij de karakteristieke schriftuur van het puntijzer en de brute kracht, waardoor de steen bezwijkt op zijn breuklijnen. Voor Ton Kalle valt de taal van de steen als een sjabloon over de menselijke werkelijkheid, waarin littekens de schrifttekens vormen, waarin de historie het verhaal van het menselijke bestaan optekent. Waarin wolken en sterren zich spiegelen in de gepolijste vlakken van de steen. Als er één kenmerk is, dat de beelden van Kalle samenvoegt tot een samenhangend oeuvre, dan is het de rustige zelfverzekerdheid, waarmee ze een plaats claimen in het landschap. Hier is het beeld geen vreemd element in de orde van de dingen. En in de kunstbeoefening hoeft de beeldhouwer niet zo nodig de steriele veiligheid van witte museummuren op te zoeken. De beelden vormen een open, uitnodigend gebaar naar de omringende werkelijkheid en die kwaliteit verwerven ze enkel doordat de kunstenaar zich niet enkel fixeert op het beeld zelf, maar als een gulle gastheer de omgeving inviteert om mee te spelen in het spel. Zoals Ton Kalle zijn stenen selecteert op basis van de beeldende mogelijkheden, die al in de grove vorm besloten liggen, zo kijkt hij ook naar het landschap. In de deuk van een zwerfkei ziet hij al de mogelijkheden van het licht en -schaduwspel nog voordat de zon opkomt. Die vooruitziende blik levert Kalle het soort doelbewustheid in de vormgeving op, die zich laat kennen als "eenvoud". Aldus worden de zichtlijnen in het Park ter Beuken een bepalend element in de uiteindelijke opstelling. Zonlicht, regen, het bleke licht van de maan; ze worden onthaald als welkome gasten. En in hun participerende hoedanigheid worden ze deel van het beeld en verlenen het een begerenswaardige legitimiteit. Je vraagt een beeld van Kalle niet of hij wel in het park mag staan. Het stáát er, vijf ton aan granieten onverzettelijkheid. De zon vindt het goed, de wind en de sterren zijn akkoord, dus wat klets je? Een begerenswaardige positie, maar één die Kalle verwerft door met alle natuurlijke eigenaardigheden rekening te houden. Het begint al, doordat hij ernaar streeft het beeld al vanaf het moment, dat het slechts een stapel stenen is, te beschouwen als een totaal. Hij zegt ook op ieder moment in het bewerkingsproces te kunnen stoppen zonder het laffe gevoel van het onaffe beeld. Als een geheel stoomt het beeld in wording op tot het moment, dat de kunstenaar ingrijpt, paradoxaal, door niets meer te doen. Dat is in het geval van Ton Kalle niet het moment, dat ieder hoekje angstvallig aangepunt is en iedere lijn vlijmscherp is getrokken. Maar het moment, dat de vorm helder wordt en verder vertoon van vakmanschap enkel een afleidende manoeuvre dreigt te worden. Vakmanschap moet je helpen om het gewenste beeld mogelijk te maken, vindt Ton Kalle, maar het mag je niet voor de voeten gaan lopen. Hij laat stenen tegen elkaar aanleunen, stapelt ze op tot torens, hangt steenvormen als manen in bomen of laat ze als fata morgana dansen in Egyptische woestijnen. In KOREAN SUNRISE ligt de zon als een steen op de horizon. Een horizon, die Kalle weer bevraagt in het robuuste optornende beeld WAAR IS DE HORIZON?. En in het beeld BESCHERMENGEL, dat zijn titel dankt aan de knusse omhelzing van een ruwe stervorm door een drietal zwerfkeien, kan het sterrenlicht zich spiegelen in de stervormige waterpartij op het gepolijste oppervlak. Ook eenvoud ontkomt niet aan dubbelzinnigheden. De rust van het beeld onze rust laten worden tot we verstillen om in alle eenvoud graniet te worden. Dat is wat Kalle beoogt en natuurlijk toont de werkelijkheid zich weerbarstig, we blijven vlees en bloed en de ambivalentie van het bestaan rukt ons steeds weer weg uit die granieten omhelzing. Maar na een ontmoeting met de beelden van Ton Kalle toch met een zeker gevoel van spijt.